Een getuige kan oprecht overtuigd zijn van een herinnering die niet klopt

Twee mensen zijn getuige van hetzelfde verkeersongeval. Ze staan op nauwelijks enkele meters van elkaar wanneer een auto plots uitwijkt en tegen een geparkeerd voertuig botst. Later vertellen ze aan de politie wat ze hebben gezien. De ene getuige herinnert zich duidelijk dat de bestuurder telefoneerde. De andere weet zeker dat de auto veel te snel reed. Beiden spreken met overtuiging, beschrijven details en lijken geen enkele reden te hebben om te liegen. Toch blijkt uit camerabeelden dat de bestuurder niet telefoneerde en zich aan de snelheidslimiet hield.

Het is een ongemakkelijke vaststelling: iemand kan volkomen eerlijk zijn en toch een gebeurtenis verkeerd herinneren. Sterker nog, de overtuiging waarmee iemand een herinnering vertelt, zegt niet noodzakelijk veel over de juistheid ervan. Ons geheugen bewaart ervaringen namelijk niet als videobeelden die we later ongewijzigd kunnen afspelen. Telkens wanneer we iets terughalen, reconstrueren onze hersenen een gebeurtenis uit fragmenten van informatie. Daarbij kunnen ongemerkt details veranderen, verdwijnen of worden toegevoegd.

Dat maakt het menselijk geheugen bijzonder bruikbaar in het dagelijkse leven, maar soms ook verrassend onbetrouwbaar wanneer exacte feiten ertoe doen.


Herinneren is telkens opnieuw reconstrueren

Wie terugdenkt aan een vakantie van enkele jaren geleden, ziet misschien onmiddellijk het terras van een restaurant voor zich. De kleur van de stoelen, het uitzicht op zee en het gesprek aan tafel lijken allemaal nog aanwezig. Maar waren die stoelen werkelijk blauw? Of komt dat beeld van een foto die later werd bekeken? Misschien vond het gesprek zelfs plaats op een andere avond.

Onze hersenen maken zulke onderscheidingen niet altijd feilloos. Een herinnering bestaat uit verschillende onderdelen die verspreid in het brein worden verwerkt. De hippocampus speelt een belangrijke rol bij het verbinden en terughalen van die informatie. Wanneer we ons iets herinneren, worden relevante onderdelen opnieuw geactiveerd en samengebracht tot een samenhangende ervaring.

Dat proces verloopt niet volledig neutraal. Verwachtingen, bestaande kennis en informatie die we achteraf ontvangen, kunnen beïnvloeden wat we denken te hebben meegemaakt. Het brein probeert bovendien betekenis te geven aan onvolledige informatie. Ontbrekende details worden soms aangevuld met wat in een bepaalde situatie waarschijnlijk lijkt.

Psychologen spreken in dat verband over reconstructief geheugen. Het verklaart waarom twee mensen dezelfde gebeurtenis verschillend kunnen beschrijven zonder dat een van beiden bewust de waarheid verdraait.

Die kwetsbaarheid is al tientallen jaren onderwerp van wetenschappelijk onderzoek. De Amerikaanse psychologe Elizabeth Loftus toonde met haar onderzoek naar ooggetuigen aan dat zelfs kleine verschillen in de formulering van een vraag invloed kunnen hebben op latere herinneringen.

In een bekend experiment kregen deelnemers beelden van een verkeersongeval te zien. Achteraf werd gevraagd hoe snel de voertuigen reden toen ze elkaar raakten. De gebruikte werkwoorden verschilden. Wanneer een krachtiger woord werd gebruikt dat een zware botsing suggereerde, schatten deelnemers de snelheid gemiddeld hoger in. In een vervolgonderzoek rapporteerden deelnemers uit die groep ook vaker gebroken glas, hoewel dat niet in de beelden voorkwam.

De vraag had dus niet alleen invloed op het antwoord, maar kon ook de latere herinnering kleuren.


Een detail dat ongemerkt een eigen leven gaat leiden

Stel dat iemand na een winkeldiefstal aan een getuige vraagt of de verdachte een zwarte jas droeg. De getuige twijfelt aanvankelijk, maar hoort later verschillende mensen over die zwarte jas spreken. Enkele dagen daarna lijkt het kledingstuk plots een vast onderdeel van de herinnering.

Zo'n verschijnsel wordt het misinformatie-effect genoemd. Informatie die iemand na een gebeurtenis ontvangt, kan zich vermengen met de oorspronkelijke herinnering. Dat gebeurt niet automatisch en evenmin bij iedereen in dezelfde mate. De invloed hangt onder meer af van de aandacht tijdens de gebeurtenis, de verstreken tijd en de manier waarop nieuwe informatie wordt aangeboden.

Een bijkomend probleem is dat mensen niet altijd goed kunnen achterhalen waar een herinnerd detail vandaan komt. Hebben ze het zelf gezien, van iemand gehoord of op een foto bekeken? Wetenschappers noemen dat een fout in de bronherkenning.

Ook buiten politieverhoren komt dit voortdurend voor. Familieleden die jarenlang hetzelfde verhaal vertellen, kunnen elkaars herinneringen beïnvloeden. Een oude foto kan het beeld van een gebeurtenis versterken, terwijl bepaalde details oorspronkelijk helemaal niet bewust werden opgeslagen. Uiteindelijk kan iemand zich zelfs levendig iets herinneren wat vooral uit latere verhalen is opgebouwd.

Dat betekent niet dat ons geheugen voortdurend gebeurtenissen verzint. De meeste dagelijkse herinneringen bevatten waardevolle en vaak correcte informatie. Maar de nauwkeurigheid verschilt per detail, en een overtuigend verhaal is niet noodzakelijk een volledig betrouwbaar verslag.


Zelfvertrouwen is geen garantie voor juistheid

Voor politie, advocaten en rechters vormt dat een bijzonder moeilijke uitdaging. Een getuige die rustig spreekt, oogcontact maakt en zonder aarzeling details beschrijft, komt doorgaans geloofwaardig over. Toch is de relatie tussen zelfvertrouwen en nauwkeurigheid ingewikkelder dan ze lijkt.

Onderzoek laat zien dat een eerste identificatie door een ooggetuige behoorlijk informatief kan zijn wanneer de procedure zorgvuldig verloopt, de getuige niet wordt beïnvloed en diens zekerheid onmiddellijk wordt vastgelegd. Vooral bij een correct uitgevoerde herkenningsprocedure kan een hoge mate van aanvankelijke zekerheid samenhangen met een grotere kans op juistheid.

Maar die relatie wordt minder betrouwbaar wanneer getuigen achteraf bevestiging krijgen, herhaaldelijk worden ondervraagd of informatie uit andere bronnen ontvangen.

Een politieagent die zegt dat een getuige de juiste verdachte heeft aangewezen, kan bijvoorbeeld onbedoeld diens zelfvertrouwen vergroten. Bij een later verhoor kan die persoon veel stelliger klinken dan tijdens de oorspronkelijke herkenning. De herinnering lijkt sterker geworden, terwijl er geen nieuwe waarneming heeft plaatsgevonden.

Dat onderscheid is belangrijk omdat getuigenverklaringen een grote invloed kunnen hebben op strafzaken. Onderzoek naar gerechtelijke dwalingen heeft herhaaldelijk aangetoond dat foutieve identificaties door ooggetuigen een rol speelden bij veroordelingen die later, onder meer dankzij DNA-onderzoek, werden herzien.

De les daaruit is niet dat getuigenverklaringen waardeloos zijn. Wel dat de omstandigheden waarin een herinnering wordt vastgelegd minstens zo belangrijk kunnen zijn als de overtuiging waarmee ze wordt verteld.


Stress maakt het geheugen niet automatisch scherper

Bij ingrijpende gebeurtenissen speelt nog iets anders mee. Veel mensen verwachten dat angst of gevaar een herinnering bijzonder scherp maakt. Wie een overval, ongeval of bedreiging meemaakt, vergeet dat moment toch nooit?

Emotioneel intense gebeurtenissen kunnen inderdaad langdurige en levendige herinneringen opleveren. Toch betekent levendigheid niet dat alle details nauwkeurig worden opgeslagen.

Bij acute stress kan de aandacht zich sterk richten op wat op dat moment het belangrijkst lijkt. Iemand die met een wapen wordt bedreigd, kan bijvoorbeeld vooral naar dat wapen kijken en daardoor minder aandacht besteden aan het gezicht van de dader. Dit verschijnsel staat bekend als het weapon focus effect.

De gevolgen van stress zijn bovendien afhankelijk van de intensiteit, het tijdstip en het soort informatie dat iemand probeert te onthouden. Matige spanning kan bepaalde geheugenprocessen ondersteunen, terwijl zeer hoge stress andere onderdelen juist kan verstoren.

Ook het verstrijken van de tijd speelt een rol. Herinneringen verliezen doorgaans details, waardoor latere informatie meer ruimte kan krijgen. Dat verklaart mede waarom onderzoekers belang hechten aan een zo vroeg mogelijke, zorgvuldig afgenomen getuigenverklaring.


De juiste vragen maken een verschil

De wetenschap heeft ondertussen belangrijke inzichten opgeleverd over manieren om getuigen zo betrouwbaar mogelijk te ondervragen.

Open vragen geven doorgaans minder aanleiding tot beïnvloeding dan vragen waarin al een veronderstelling verborgen zit. Een getuige vragen wat hij heeft gezien, is daarom iets anders dan vragen of de bestuurder door het rode licht reed.

Bij een zorgvuldig uitgevoerd cognitief interview krijgt een getuige ruimte om de gebeurtenis in eigen woorden te beschrijven en relevante omstandigheden opnieuw voor de geest te halen. De ondervrager probeert informatie op te roepen zonder specifieke antwoorden te suggereren.

Ook bij herkenningsprocedures zijn voorzorgsmaatregelen belangrijk. Zo kan worden voorkomen dat de persoon die de procedure begeleidt, bewust of onbewust signalen geeft over wie de verdachte is. De eerste uitspraak van de getuige over diens zekerheid wordt bij voorkeur onmiddellijk en letterlijk geregistreerd.

Die aanpak vertrekt vanuit een fundamenteel inzicht: een herinnering is geen onveranderlijk bewijsstuk dat simpelweg uit het geheugen kan worden gehaald. De manier waarop iemand wordt bevraagd, kan mee bepalen welke informatie uiteindelijk beschikbaar komt.


Een herinnering kan echt aanvoelen zonder echt gebeurd te zijn

Misschien is het meest opmerkelijke aspect van ons geheugen wel dat een foutieve herinnering subjectief nauwelijks te onderscheiden kan zijn van een juiste.

Mensen kunnen beelden, emoties en details ervaren die bijzonder authentiek aanvoelen. Experimenten tonen dat onder bepaalde omstandigheden zelfs herinneringen aan gebeurtenissen die niet hebben plaatsgevonden, kunnen ontstaan. De mate waarin dat lukt, verschilt sterk per onderzoek en gebruikte methode. Niet iedere suggestie leidt tot een valse herinnering.

Dat maakt het verschijnsel wetenschappelijk interessant, maar vraagt ook om voorzichtigheid. Uit onderzoek naar geheugenfouten volgt niet dat iedere betwiste herinnering onjuist is, of dat iemand die zich vergist noodzakelijk een volledig verzonnen gebeurtenis beschrijft.

Het menselijk geheugen is vooral ontworpen om ervaringen bruikbaar te maken. Het helpt ons verbanden leggen, situaties herkennen en toekomstige beslissingen nemen. Daarvoor is het vaak belangrijker om de betekenis van een gebeurtenis te bewaren dan ieder afzonderlijk detail.

Precies daarin schuilt de paradox. Het vermogen om herinneringen flexibel te reconstrueren maakt ons geheugen nuttig, maar zorgt er tegelijk voor dat het niet altijd een betrouwbare registratie van het verleden is.

Terug naar de twee getuigen van het verkeersongeval. Wanneer ze maanden later opnieuw worden ondervraagd, kunnen ze allebei nog steeds overtuigd zijn van hun oorspronkelijke verhaal. Misschien zijn sommige details ondertussen zelfs scherper geworden doordat ze er zo vaak aan hebben teruggedacht.

Hun overtuiging hoeft niet gespeeld te zijn. Hun herinnering hoeft evenmin volledig correct te zijn.

Wie dat begrijpt, kijkt anders naar getuigenverklaringen, maar ook naar discussies aan de familietafel of meningsverschillen over gebeurtenissen van jaren geleden. Twee mensen kunnen oprecht iets anders herinneren zonder dat iemand bewust liegt. Een herinnering vertelt niet alleen iets over wat we hebben meegemaakt, maar ook over wat onze hersenen er nadien van hebben gemaakt.