Waarom de Vlaamse voorjaarsklassiekers uniek zijn in de wielerwereld

Morgen begint het opnieuw. De wekker gaat vroeg, de koffie staat klaar en ergens in Gent verzamelen de beste wielrenners ter wereld voor een koers die de meeste mensen buiten Vlaanderen niet eens kunnen uitspreken: de Omloop Het Nieuwsblad. Voor de ingewijde is dit het startschot van de mooiste weken van het jaar. Voor de buitenstaander is het een raadsel: waarom rijden die mannen over die hobbelige, gevaarlijke keien, in regen en wind, door een landschap van akkers en kerktorens? Waarom zijn er mensen die hiervoor op zaterdagochtend om acht uur aan de kant van de weg staan, in dikke jassen, met een thermoskan bier?

Het antwoord is even eenvoudig als het moeilijk te vatten is: omdat er niets bestaat dat hierop lijkt.


Een landschap dat koers maakt

Laten we beginnen bij het begin, bij de wegen zelf. De Vlaamse kasseikoersen danken hun karakter voor een groot deel aan de Vlaamse geografie — of eigenlijk aan het gebrek aan indrukwekkende topografie. Er zijn hier geen bergketens, geen cols van drieduizend meter. Wat er wél is, zijn de hellingen. Kort, steil, gemeen. De Oude Kwaremont, de Paterberg, de Wijnpers, de Kapelmuur in Geraardsbergen. Klimmen die in de Pyreneeën of de Alpen niet eens de aandacht zouden trekken van de meest gemiddelde fietser, maar die hier in het voorjaar de zwaarste renners ter wereld doen kraken.

Wat die hellingen zo vernietigend maakt, is de combinatie met de kasseien. Die blokken blauwe hardsteen, ooit gelegd om Vlaamse marktdorpen met mekaar te verbinden, zijn nu het handelsmerk van een wielerfilosofie. Ze zijn niet gelijkmatig. Ze liggen scheef, verzakt, soms bedekt met modder of mos. Een fietser die er in het voorjaar over rijdt, voelt elke centimeter door zijn armen en rug. Zijn fiets jankt. Zijn handen worden verdoofd. En dat is nog zonder het gewicht van de anderen achter hem, de stress van de positie, de wind uit het westen die hier altijd lijkt te waaien wanneer het er niet van pas komt.

Die wind. Elke wielerfan in Vlaanderen weet wat een echelon is. Hij weet dat een crosswind op de Molenstraatweg of de Haaghoek een peloton in vijf seconden kan splijten. En dat als je op dat moment in de verkeerde helft zit, je koers voorbij is. Niet na een lange klim, niet na tactisch gefaalde strategie — maar gewoon omdat de wind draaide.


Meer dan een wedstrijd: een volksfeest

Er is geen andere grote wielerwedstrijd ter wereld waarbij de toeschouwers zo dicht bij de actie staan. Op de Koppenberg — die smalle, keien-weg met een hellingspercentage dat soms richting de twintig procent gaat — staat het publiek soms letterlijk op centimeters van het wiel van de renners. Ze schreeuwen, ze duwen, ze aanmoedigen. Soms te letterlijk: er zijn jaren geweest dat supporters renners door handtastelijk aanmoedigen de das omdeden.

Dat is iets wat je nergens anders ziet in de wielersport. In de Tour de France staat het publiek ook langs de kant, maar dan op een alpenwand, in de zon, als toeristen op uitstap. In Vlaanderen staan ze in de regen op een kruispunt in een dorp dat niemand buiten de gemeente ooit gehoord heeft. Ze staan er al om negen uur 's ochtends, voor een koers die er pas om drie uur passeert. Ze staan er omdat hun vader er stond, omdat hun grootvader er nog bij was toen Merckx er langs raasde, omdat dit hier gewoon zo hoort.

De Ronde van Vlaanderen is officieel een wielerkoers. In de praktijk is het een nationale feestdag. Op die eerste zondag van april — dit jaar is het 5 april 2026 — houdt Vlaanderen collectief de adem in. Cafés zetten extra schermen op. Families verzamelen. De straten van steden als Gent, Oudenaarde en Ronse raken verlaten, terwijl honderdduizenden langs het parcours staan en miljoenen thuis kijken.

Het is geen hyperbool als men zegt dat de Ronde van Vlaanderen voor Vlamingen meer is dan een sportwedstrijd. Het is een identiteitsuitdrukking. De kasseien, de hellingen, de harde wind — ze zijn een metafoor voor het Vlaamse volkskarakter zoals men dat zichzelf graag toeschrijft: nuchter, taai, niet bang van tegenwind.


De helden die er bijhoren

Geen enkele wielerregio ter wereld heeft zo'n rijke dynastie van kampioenen voortgebracht die zo diep zijn ingebed in de lokale cultuur. Johan Museeuw, de ‘Leeuw van Vlaanderen’, won de Ronde drie keer en Parijs-Roubaix drie keer. Tom Boonen deed dat ook, en werd een icoon die zijn naam zag gegeven aan pleinen en cafés. Eddy Merckx — vijf keer Roubaix, driemaal de Ronde — is een categorie apart, bijna mythologisch van status.

En dan is er de recente geschiedenis, die de klassiekers misschien wel naar het absolute hoogtepunt van hun populariteit heeft gebracht. De rivaliteit tussen Mathieu van der Poel en Wout van Aert heeft een nieuwe generatie fans aan het wielrennen gekluisterd. Twee renners die qua stijl, achtergrond en karakter totaal van elkaar verschillen, maar die elk seizoen opnieuw in dezelfde koersen de messen kruisen. Van der Poel — de kleinzoon van Raymond Poulidor, de zoon van cyclocrosser Adrie — rijdt alsof hij nooit twijfelt. Van Aert — gevormd in de modder van de veldrit, technisch en emotioneel — rijdt alsof élke koers zijn laatste kans is.

Tot 2025 voegde Tadej Pogačar  een derde dimensie toe aan dit duel. De Sloveense wonderkind, al jarenlang de beste wielrenner ter wereld in de etappekoersen, besloot ook de kasseien te veroveren. En hij slaagde daarin: hij won de Ronde van Vlaanderen, bewees dat hij ook op de keien kan domineren. Zijn aanwezigheid veranderde de dynamiek van het klassieke voorjaar fundamenteel. Want ineens moesten de specialisten ook nog eens de beste alleskunner van zijn generatie verslaan.

Zowel Pogačar  als Van der Poel slaagde erin om in 2025 voor het derde jaar op rij minstens twee monumenten te winnen — voor dit klassieke voorjaar was enkel ooit Eddy Merckx daarin geslaagd. Dat zegt alles. We leven in een uitzonderlijk wielertijdperk, en de Vlaamse kasseienklassiekers zijn het theater waarin dit tijdperk zijn mooiste scènes speelt.

Voor 2026 zijn de kaarten opnieuw geschud. Van der Poel was in 2025 de sterkste in Milaan-San Remo en Parijs-Roubaix, terwijl hij ook de Ronde van Vlaanderen al eerder won. Pogačar won de Ronde van Vlaanderen en bewees zijn alomvattende dominantie. De vraag is wie dit jaar zijn stempel zal drukken. Van Aert, die met een geweldige constante reed maar de overwinning in de Monumenten nog steeds ontbeert, zal het opnieuw proberen. En ook nieuwere namen dienen zich aan — jongere renners die smachtend toekijken en wachten op hun moment.


Wat de Vlaamse kassiers onderscheidt van alle andere grote koersen

Om te begrijpen waarom deze koersen zo bijzonder zijn, moet je ze vergelijken met de andere grote wedstrijden in de wielerwereld.

De Tour de France is groter, rijker, wereldwijder. Maar de Tour is ook een etappekoers die drie weken duurt en waarbij de dagelijkse winnaar soms al vergeten is voor het avondnieuws. De klassiekers leven van de enkelvoudigheid: één dag, één kans, één winnaar. Er is geen herkansing, geen morgen. Als je valt op de Paterberg, is het voorbij. Als je een lekke band krijgt op de kasseisector van Haaghoek in Parijs-Roubaix, kan een heel voorjaar van voorbereiding in rook opgaan.

Parijs-Roubaix, de ‘Hel van het Noorden’, is in dit opzicht de meest brutale van allemaal. De koers rijdt van de Franse hoofdstad naar een velodroom in Noord-Frankrijk over kasseisectoren die van de wegen zijn overgebleven uit de negentiende eeuw. Sectoren met namen als Arenberg en Mons-en-Pévèle, geclassificeerd op vijf sterren, die renners soms met bebloede handen en gebroken fietsen verlaten. Het is een koers waar het lot een grotere rol speelt dan in welke andere wedstrijd ook in de wielerwereld — en dat maakt ze tegelijk hartverscheurend en fascinerend.

De Ronde van Vlaanderen combineert dat ruige element met tactische complexiteit. De finale — van de Oude Kwaremont over de Paterberg naar Oudenaarde — is een schaakbord waarop renners al dagen van tevoren hun zetten plannen. Wanneer val je aan? Hoe bewaar je krachten voor de Paterberg? Waag je het erop als Van der Poel in je wiel hangt? Dit zijn vragen zonder goede antwoorden, en dat is precies waarom we blijven kijken.


De Vlaamse klassiekers als spiegel van het moderne wielrennen

De klassiekers zijn ook relevant als barometer van bredere ontwikkelingen in de wielersport. De opkomst van allround-wielrenners als Pogačar heeft de discussie aangewakkerd over de toekomst van het specialistenprofiel. Zijn de 'pure kasseirenners' — de mannen die zich acht maanden per jaar klaarmaken voor drie weken koers in het voorjaar — nog levensvatbaar in een tijdperk waarin de beste etapperenner ook de kasseien aankan?

Het antwoord is genuanceerd. Visma Lease a Bike, dat de voorbije jaren een absolute dominantie uitoefende in de Belgische klassiekers, won in 2025 geen enkele voorjaarsklassieker — een duidelijk signaal dat het speelveld opnieuw verschuift. Maar ondertussen stond een ploeg als EF Education-EasyPost wel op meerdere podiums, met namen die buiten de klassieke wielergemeenschap nauwelijks bekend zijn. De kassierenklassiekers blijven een ruimte waar verrassingen mogelijk zijn, waar het romanticisme van de sport nog leeft.

Dit jaar kondigt de Omloop al aan dat er opnieuw gevochten zal worden voor elke centimeter. Vanaf de Bosberg naar de finale krijgen de renners dit weekend wind mee — dat speelt de aanvallers in de kaart. Pogacar is er dit jaar opnieuw bij, Van der Poel ook. En Wout van Aert? Die man, met zijn zeventien podiumplaatsen in drieëntwintig voorjaarsklassiekers over de afgelopen vier jaar, heeft simpelweg te veel klasse om niet mee te spelen om de overwinning. Zijn gezicht bij elke tweede of derde plaats is die van een man die weet dat hij het kan, en die het telkens net niet haalt. Dat dramatische element maakt ook hem tot een van de redenen waarom we kijken.


Het gevoel dat niet te beschrijven valt

Er is iets wat alle beschrijvingen tarten. Iets dat je alleen begrijpt als je ooit langs de kant hebt gestaan op een kasseistrook, terwijl een peloton van honderd renners vol gas over de keien dendert en de grond trilt onder je voeten. Het geluid — het geroffel van de banden, het knarsen van de frames, de kreten van de renners — is iets dat je in je borst voelt, niet alleen in je oren.

Of het gevoel wanneer één renner solo over de Paterberg rijdt terwijl de rest kapituleert. Wanneer een man zijn lichaam tot het uiterste drijft op een steile, natte kasseistrook, terwijl duizenden toeschouwers hem aanmoedigen in een taal die hij misschien niet eens spreekt. Dat is het moment waarop de sport zijn meest elementaire, meest menselijke gestalte aanneemt.

De Vlaamse kasseienklassiekers zijn niet perfect. Ze kunnen wreed zijn, voor renners én voor de sport. Valpartijen, blessures, pech — het hoort erbij, maar het maakt ook dat we soms meer meeléven dan we willen. Maar juist die onvolmaaktheid, die onvoorspelbaarheid, dat gevoel dat op elk moment alles kan veranderen — dat is wat ze onvervangbaar maakt.

Morgen begint het opnieuw. De Omloop. Dan de E3 Saxo Classic, In Flanders Fields, Dwars door Vlaanderen. En dan, op 5 april, de Ronde van Vlaanderen. De koers die alles samenvat: het landschap, de mensen, de hellingen, de kasseien, de helden en de tranen.

Het wielerjaar begint en eindigt op vele plaatsen. Maar het leeft hier, in Vlaanderen, in de lente, op de keien.