Een berg kan officieel van hoogte veranderen zonder werkelijk te groeien

Wie tijdens een bergwandeling de top bereikt, kijkt vaak eerst naar het uitzicht en daarna naar het bordje waarop de hoogte staat vermeld. Soms is dat een eenvoudig metalen plaatje, soms een steen met een ingebeitelde aanduiding. De cijfers lijken een vaststaand gegeven. Een berg van 2.500 meter is nu eenmaal 2.500 meter hoog. Toch kan diezelfde berg enkele jaren later op een nieuwe kaart plotseling enkele meters hoger of lager zijn, zonder dat er ook maar één rotsblok is bijgekomen of verdwenen. Wat op het eerste gezicht onmogelijk lijkt, heeft alles te maken met de verrassend ingewikkelde manier waarop wetenschappers de hoogte van onze planeet bepalen.

Dat een berg officieel van hoogte kan veranderen, klinkt alsof geografen voortdurend hun meetfouten moeten rechtzetten. In werkelijkheid ligt het ingewikkelder. De hoogte van een berg is namelijk geen eigenschap die volledig losstaat van de rest van de aarde. Ze hangt af van het gekozen referentieniveau, de gebruikte meetmethode en zelfs van subtiele verschillen in de zwaartekracht. Een bergtop kan daardoor exact op dezelfde plaats blijven liggen, terwijl zijn officiële hoogte verandert. Achter één eenvoudig getal op een wandelkaart schuilt een wereld van satellieten, wiskundige modellen en internationale afspraken.


De zeespiegel is minder eenvoudig dan hij lijkt

Wie wil weten hoe hoog een berg is, moet eerst bepalen vanaf welk punt hij begint te meten. In het dagelijks leven gebruiken we daarvoor meestal de zeespiegel. Dat klinkt logisch, want de oceanen vormen een herkenbaar referentiepunt. Alleen is de zeespiegel helemaal geen vlakke, onveranderlijke oppervlakte. Door getijden, wind, stromingen, luchtdruk en temperatuurverschillen beweegt het water voortdurend. Zelfs wanneer al die tijdelijke invloeden worden weggedacht, blijft het gemiddelde oceaanoppervlak niet overal op dezelfde hoogte liggen.

De oorzaak daarvan bevindt zich voor een belangrijk deel onder onze voeten. De aarde heeft geen volmaakt gelijkmatige massaverdeling. Grote gebergten, diepe oceaantroggen en verschillen in de dichtheid van gesteenten beïnvloeden het zwaartekrachtveld. Daardoor is de aantrekkingskracht van de aarde niet overal precies even sterk. Water reageert op die verschillen, waardoor een denkbeeldig oceaanoppervlak dat uitsluitend door de zwaartekracht wordt bepaald, geen perfecte bol vormt.

Wetenschappers noemen dat oppervlak de geoïde. Het is een theoretisch referentievlak dat ongeveer overeenkomt met het gemiddelde zeeniveau en denkbeeldig onder de continenten wordt doorgetrokken. De geoïde vertoont wereldwijd hoogteverschillen van tientallen meters ten opzichte van een wiskundig vereenvoudigde aardvorm. Voor iemand die op het strand staat, zijn die verschillen nauwelijks voorstelbaar. Voor landmeters die de hoogte van een bergtop tot op de centimeter willen bepalen, zijn ze van fundamenteel belang.

Daar komt nog bij dat landen historisch verschillende hoogtereferenties hebben gebruikt. Vaak werd jarenlang de waterstand gemeten in een bepaalde haven, waarna het gemiddelde als uitgangspunt voor een nationaal hoogtesysteem diende. België gebruikt bijvoorbeeld het Tweede Algemene Waterpassing, kortweg TAW, waarvan het nulpunt verbonden is met historische metingen in Oostende. Nederland werkt met het Normaal Amsterdams Peil, beter bekend als NAP. Die twee systemen hebben niet hetzelfde nulpunt.

Dat betekent dat eenzelfde punt verschillende hoogtecijfers kan krijgen wanneer het in verschillende referentiesystemen wordt uitgedrukt. Het landschap verandert niet, maar de meetlat waarmee het wordt beschreven wel. Bij de officiële hoogte van een berg speelt precies hetzelfde principe.


Satellieten hebben de meetlat veranderd

Lange tijd moesten landmeters de hoogte van bergen bepalen met instrumenten die vanaf bekende meetpunten hoeken en afstanden registreerden. Via driehoeksmetingen en nauwkeurige waterpassingen konden ze geleidelijk een netwerk van hoogtes opbouwen. Dat vergde veel tijd en was in moeilijk toegankelijk berggebied bijzonder arbeidsintensief. Bovendien konden kleine meetfouten zich over grote afstanden opstapelen.

Met de komst van satellietnavigatie veranderde dat ingrijpend. Moderne GNSS-systemen, waarvan GPS het bekendste is, kunnen de positie van een ontvanger zeer nauwkeurig bepalen. Toch levert een satellietmeting niet automatisch de hoogte boven de zeespiegel op. Satellieten gebruiken in eerste instantie een wiskundig referentieoppervlak, een zogenoemde ellipsoïde, dat de afgeplatte vorm van de aarde benadert.

De afstand tussen een bergtop en die ellipsoïde is iets anders dan de hoogte boven het gemiddelde zeeniveau. Om van de ene waarde naar de andere over te stappen, moeten wetenschappers rekening houden met de ligging van de geoïde. Een verbetering van het model van het zwaartekrachtveld kan daardoor leiden tot een andere berekende hoogte, zelfs wanneer de gemeten positie van de bergtop onveranderd blijft.

Vooral de afgelopen decennia zijn die modellen aanzienlijk nauwkeuriger geworden. Satellietmissies zoals GRACE en GOCE hebben nieuwe informatie verzameld over de verdeling van massa en het zwaartekrachtveld van de aarde. In combinatie met metingen op de grond kunnen onderzoekers daardoor steeds betrouwbaarder bepalen waar het relevante hoogtereferentievlak zich bevindt.

Het gevolg is opmerkelijk. Een berg die jarenlang op kaarten als 3.000 meter hoog werd aangeduid, kan na een herberekening officieel bijvoorbeeld 2.998 meter meten. Dat hoeft niet te betekenen dat de berg twee meter is afgesleten. Het kan eenvoudigweg betekenen dat de nieuwe meting en het nieuwe referentiemodel nauwkeuriger zijn dan de vorige.


De Mont Blanc laat zien hoe ingewikkeld een bergtop is

Een bekend Europees voorbeeld is de Mont Blanc. De hoogste berg van de Alpen wordt regelmatig opnieuw opgemeten, en de gepubliceerde hoogte is in de loop van de jaren meermaals veranderd. Bij een meting in 2021 werd 4.807,81 meter vastgesteld. Twee jaar later kwam een nieuwe meetcampagne uit op 4.805,59 meter.

Dat verschil van ruim twee meter werd niet veroorzaakt door een plotselinge verandering van de onderliggende rotsmassa. De top van de Mont Blanc is bedekt met sneeuw en ijs, waarvan de dikte en vorm veranderen door neerslag, wind, temperatuur en seizoensinvloeden. De gemeten hoogte van het sneeuwoppervlak is daardoor niet noodzakelijk gelijk aan de hoogte van de vaste rots eronder.

Dit voorbeeld toont een belangrijk onderscheid. Soms verandert een officiële hoogte omdat de meetmethode of het referentiesysteem wordt aangepast. In andere gevallen verandert het oppervlak dat daadwerkelijk wordt gemeten, terwijl de onderliggende berg nauwelijks verandert. Beide situaties kunnen nieuwe hoogtecijfers opleveren, maar ze hebben een andere oorzaak.

Bij de Mount Everest speelde nog een andere kwestie. Nepal en China maakten in december 2020 gezamenlijk een nieuwe officiële hoogte bekend van 8.848,86 meter. Daarmee kwam er één internationaal overeengekomen cijfer voor een berg waarvan de hoogte jarenlang verschillend werd weergegeven.

De nieuwe waarde kwam voort uit uitgebreide metingen en afspraken over de bepaling van de top en het referentieniveau. De bekendmaking betekende niet dat de Everest op dat moment plotseling was gegroeid. Ze weerspiegelde vooral een nieuwe, gezamenlijk vastgestelde meetwaarde.


Toch zijn bergen voortdurend in beweging

De gedachte dat een berg kan veranderen op papier zonder fysiek te groeien, betekent niet dat gebergten onveranderlijk zijn. Integendeel. De aardkorst is voortdurend in beweging. Waar tektonische platen tegen elkaar botsen, kunnen gesteentelagen worden samengedrukt, vervormd en omhooggeduwd. Zo ontstonden onder meer de Himalaya en de Alpen.

Die processen verlopen meestal zo langzaam dat niemand ze met het blote oog kan waarnemen. Toch kunnen moderne meetinstrumenten bewegingen van enkele millimeters per jaar registreren. In bepaalde gebieden stijgt de aardkorst, terwijl ze elders daalt. Ook aardbevingen kunnen de hoogte en positie van bergtoppen plotseling veranderen.

Daarnaast spelen erosie, gletsjers en het verdwijnen van grote ijsmassa's een rol. Wanneer een zware ijsbedekking smelt, neemt de druk op de aardkorst af. De onderliggende gesteenten kunnen daarop reageren door langzaam omhoog te bewegen. Dit proces, bekend als isostatische opheffing, is bijvoorbeeld belangrijk in Scandinavië, waar de aardkorst nog altijd reageert op het verdwijnen van de enorme ijskappen uit de laatste ijstijd.

Hier ligt een subtiel maar essentieel verschil. Wetenschappers moeten kunnen onderscheiden of een gemeten hoogteverandering het gevolg is van echte beweging van de aardkorst, van veranderingen in sneeuw en ijs, of van een aangepaste berekening. Daarvoor combineren ze satellietmetingen met geologische gegevens, zwaartekrachtmetingen en langdurige waarnemingen.

Een enkel nieuw hoogtecijfer vertelt dus niet automatisch wat er met een berg is gebeurd. Pas wanneer bekend is hoe, wanneer en ten opzichte van welk referentievlak de meting werd uitgevoerd, krijgt het verschil betekenis.


Waarom enkele centimeters ertoe doen

Voor een wandelaar maakt het doorgaans weinig uit of een berg 2.499 of 2.501 meter hoog is. Voor ingenieurs, hydrologen en cartografen kan een klein hoogteverschil echter grote gevolgen hebben. Bij de aanleg van tunnels, spoorwegen, waterleidingen en afwateringssystemen moeten hoogtes nauwkeurig op elkaar aansluiten. Een fout in het gebruikte referentiesysteem kan daarbij belangrijker zijn dan een kleine onnauwkeurigheid van het meetinstrument zelf.

Ook bij overstromingsrisico's en kustbescherming is een betrouwbaar hoogtesysteem onmisbaar. Water stroomt niet volgens de cijfers op een kaart, maar reageert op werkelijke hoogteverschillen en zwaartekracht. Wanneer gegevens uit verschillende landen of meetcampagnes worden samengebracht, moeten onderzoekers daarom zorgvuldig controleren of ze wel dezelfde referentie gebruiken.

Dat wordt steeds relevanter nu satellieten, drones en laserscanners enorme hoeveelheden geografische gegevens verzamelen. De technische mogelijkheden om het aardoppervlak gedetailleerd in kaart te brengen zijn sterk verbeterd, maar de betekenis van die gegevens blijft afhankelijk van de gekozen meetkundige en fysische uitgangspunten.

Zelfs het begrip hoogste berg is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. De Mount Everest is de hoogste berg wanneer wordt gemeten boven het gemiddelde zeeniveau. De Mauna Kea op Hawaï is daarentegen hoger wanneer zijn volledige hoogte vanaf de oceaanbodem wordt beschouwd. En de Chimborazo in Ecuador ligt met zijn top verder van het middelpunt van de aarde dan de Everest, doordat onze planeet aan de evenaar uitpuilt.

Geen van die uitspraken is noodzakelijk in tegenspraak met de andere. Ze beantwoorden eenvoudigweg verschillende vragen.

Wie opnieuw voor een hoogtebordje op een bergtop staat, kijkt daardoor misschien anders naar het getal dat erop vermeld staat. Het lijkt een onveranderlijk kenmerk van het landschap, maar is in werkelijkheid het resultaat van metingen, natuurkundige modellen en menselijke afspraken. De rots onder je voeten kan precies dezelfde zijn als honderd jaar geleden, terwijl de officiële hoogte inmiddels is aangepast. Niet omdat de berg zich heeft verplaatst, maar omdat onze kennis van de aarde nauwkeuriger is geworden.